Zoon Delftse verzetsman zoekt nog steeds erkenning voor zijn vader

Waarom kreeg zijn vader na de oorlog geen onderscheiding voor zijn verzetsactiviteiten? Die vraag heeft Toon Toonen (1931) zijn hele leven beziggehouden. Alle leden van de Binnenlandse Strijdkrachten – een bundeling van alle Nederlandse verzetsgroepen – ontvingen na de oorlog een herinneringsinsigne. Maar Toonen kreeg er geen, terwijl hij zijn verzetsactiviteiten bijna met de dood had moeten bekopen.

Antoon Toonen2

Antoon Toonen, onderwijzer aan de Delftse Jan Vermeerschool, raakte twee jaar na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog betrokken bij het Delftse verzet. Op verzoek van Aad van Rijs werd hij actief in de Delftse afdeling van de Landelijke organisatie voor onderduikers (LO). ‘Als een kleine jongen door een grotere jongen wordt afgetuigd, dan ben je geneigd de kleine jongen te helpen. Met dat principe ben ik bij het verzet terechtgekomen’, vertelde hij in 1970 in een interview met een Delftse schoolkrant, de Detskroniek. ‘Het eerste wat we deden was de gezinnen, waar vader of zoon van was ondergedoken, financieel te steunen.’  De groep van Toonen kreeg al snel contacten met andere verzetsgroepen. De volgende stap was het overvallen van distributiekantoren om mensen aan voedsel- en kledingkaarten te helpen. De groep hielp onder andere Joden bij het vinden van onderduikadressen en er werd op allerlei manieren voor de onderduikers gezorgd. Er werden valse persoonsbewijzen geregeld en er werd in hun levensonderhoud voorzien. Ook Antoon Toonen was verantwoordelijk voor een aantal onderduikadressen. Op 25 februari ging hij ’s avonds samen met Henk Dupon, net als hij betrokken bij de LO, naar een adres aan de Rotterdamseweg 4 om distributiekaarten en geld te brengen voor de zeven onderduikers, waarvan vier Joods, die daar verbleven. Eenmaal binnen werden ze opgewacht door een man van de Sicherheitsdienst. Alle zeven onderduikers waren eerder op de dag opgepakt. ‘Ik probeerde weg te komen, maar beneden stond er ook één, die me gelijk een pistool onder de neus hield. We werden naar het politiebureau gebracht, waar we gevangen werden gezet.’ Het helpen van Joden werd in 1944 gezien als een halsmisdrijf. Toonen vreesde voor zijn leven.

Overval politiebureau

Diezelfde nacht deed een Westlandse knokploeg onder leiding van Piet Doelman een inval in het Delftse politiebureau. Het aanvankelijke plan van de KP was het stelen van de sleutel van het distributiekantoor en het roven van pistolen. Toen de KP via een contactman hoorde van de arrestatie, gooiden ze hun plan om en besloten ze om de twee verzetsmensen en de Joden te bevrijden. Ze werden daarbij geholpen door enkele betrouwbare politiemannen, onder wie Arie Post en verzetsman Jan van der Sloot. Om vijf uur ’s ochtends kwam de KP met een ploeg van zestien man in actie. Ze kwamen binnen via de achterdeur, die door goedgezinde agenten was opengelaten. In het wachtlokaal stuitte de KP op twee politiemensen die hevig verzet boden: hoofdwachtmeester A. Bergwerff en opperwachtmeester J.L. Bokhove. Er volgde een vechtpartij waarbij gewonden vielen. Uiteindelijk werden slechts drie arrestanten bevrijd: Dupon, Toonen en één van de Joodse onderduikers, mevrouw J.M. van Gelderen.  Door het gevecht dat uitbrak, slaagde de KP er niet meer in alle Joodse onderduikers te bevrijden. Dupon en Toonen vluchtten op de fiets. De politie was zo vriendelijk geweest om na hun arrestatie hun fietsen over te brengen naar het politiebureau. Toonen kende het politiebureau goed, want hij kwam er regelmatig boksen. Hij wist precies waar de rijwielen stonden. Naar huis gaan was geen optie. De mannen fietsten in de vroege ochtend naar Wassenaar, waar ze zich meldden bij G.M. Key, leider van het Nationaal Steun Fonds, dat de Landelijke organisatie voor onderduikers financieel ondersteunde. Er werd een onderduikadres voor hen geregeld in een kassencomplex.

Represaille

In de tussentijd was in Delft grote paniek uitgebroken. De Duitsers zouden er niet voor terugdeinzen om Toonens echtgenote en zijn zoontje gevangen te nemen uit represaille voor hun bevrijding. De familie Toonen woonde in de Palamedesstraat 27. “Mijn moeder had bericht gekregen dat mijn vader was opgepakt en kreeg later via de politie een seintje dat hij was bevrijd. Er werd haar meteen te kennen gegeven dat ze moest zorgen dat ze wegkwam”, vertelt Toon Toonen. Hij was negen jaar toen de oorlog uitbrak en heeft nog levendige herinneringen aan die tijd. “We zijn eerst naar de overburen gegaan, de familie Van Meenen. De volgende ochtend stond L. Blom op wacht voor de deur van onze woning. De Delftse agent deed echter of zijn neus bloedde en gaf mijn moeder een hint dat ze ‘m moest smeren. Mijn moeder heeft het huis toen onopgemerkt verlaten en is bij de Brasserskade op de tram gestapt naar een tante in Den Haag. Mevrouw Van Meenen heeft mij diezelfde ochtend weggebracht naar mijn moeders familie in Dordrecht.” De Duitsers waren furieus. Toen ze in Toonen in Delft niet aantroffen, stonden ze ’s middags bij de moeder van Toonen op de stoep, in Nijmegen. De overvalwagens reden echter onverrichterzake terug. ‘Omdat we op deze wijze bevrijd waren, dachten de Duitsers dat we grote jongens waren, terwijl we in het grote geheel maar heel kleine jongens waren’, verklaart Toonen 25 jaar later in het artikel in de schoolkrant. In Dordrecht werd Toon Toonen herenigd met zijn moeder. Zij kregen via de illegaliteit instructies dat ze naar Breda moesten reizen. Daar doken ze weer onder. Waar Antoon zich op dat moment bevond, wisten ze niet.  Dat in Delft als represaille zeven gijzelaars waren opgepakt en afgevoerd naar Kamp Vught, wisten ze evenmin.

Naar Friesland

Toonen en Dupon konden niet in Wassenaar blijven. In het westen was het te gevaarlijk. Ze werden door een verzetsman in een motor met zijspan van de militaire politie naar Amsterdam gereden. Vlakbij Amsterdam reden ze tegen een verkeerspaal op. Niemand liep letsel op, maar de motor deed het niet meer. Het gezelschap zocht en vond onderdak bij een boer, die hen naar Amsterdam bracht. Daar werden ze overgedragen aan twee verzetslieden die under cover bij de Sicherheitsdienst werkten. Onder deze veilige begeleiding reisden Dupont en Toonen in een Wehrmachtsabteilung van de trein van Amsterdam naar Enkhuizen. Daar aangekomen namen ze de boot naar Stavoren. Op de terugtocht werd de boot door een Engels vliegtuig beschoten, maar toen was Toonen al veilig aan wal. Hij werd ondergebracht op een adres in Bakhuizen, waar inmiddels ook zijn vrouw en zoon waren gearriveerd. Er volgde een gelukkige reünie, maar de problemen waren nog lang niet voorbij. “We hebben in Bakhuizen eerst veertien dagen op een aardappelzolder gezeten”, herinnert Toon Toonen zich. “Toen zijn we verhuisd naar een ander onderduikadres in Bakhuizen en uiteindelijk zijn we in Eck en Wiel terechtgekomen, in de Betuwe. Ik ben er zelfs nog een blauwe maandag naar school gegaan, in Tiel, tot de bombardementen van de Geallieerden daar een einde aan maakten.” In november 1944 werd Eck en Wiel door de Duitsers onder water gezet. Alle inwoners werden geëvacueerd, ook de onderduikers. De familie Toonen werd naar Amerongen overgebracht, waar ze met nog tientallen anderen hun intrek namen in een kerk. “We hadden daar onder de preekstoel met strobalen een eigen hoekje ingericht”, vertelt Toon Toonen. De hygiënische omstandigheden in de kerk lieten te wensen over. Een groot aantal mensen had schurft. Buiten het kerkgebouw bevonden zich latrines. Op het pleintje voor de kerk stond een pomp. “Het was een koude winter. Toch gingen mijn vader en ik ons regelmatig wassen aan de pomp, met ontbloot bovenlijf. Voor mannen was dat geen probleem. Vrouwen hadden er moeite mee om zich zo in het openbaar te wassen. Mijn moeder ging één keer naar de plaatselijke prostitué, want die had èn warm water èn zeep.”

Onderduiken in de Betuwe

De familie Toonen bracht de rest van de hongerwinter door op een ander onderduikadres in Amerongen. Of zijn vader in zijn onderduiktijd nog betrokken is geweest bij illegale activiteiten, durft Toon Toonen niet te zeggen. “Er zijn zeker contacten met het verzet geweest. Ik heb een aantal malen met wapens onder mijn hoofdkussen geslapen, die kennelijk verborgen moesten worden. En ik herinner me dat we een keer bij het hoofd van de school in Eck en Wiel waren. Er kwam iemand op de fiets aangereden, met een tas over de stang. Ik zag hoe ze een soort waslijn ophingen in de tuin. Het bleek dat in die tuin een zendontvanger zat. Er werden berichten verzonden.” Amerongen werd in mei 1945 bevrijd door de Fransen en Canadezen. Nadat Toonen zich ervan had verzekerd dat Delft inderdaad vrij was, ging de familie op gestolen fietsen naar Delft. Honderd kilometer scheidde hen van hun woonplaats, een enorme afstand als je zwak en hongerig bent. “Het was een hele lijdensweg. We zijn ettelijke malen van vermoeidheid en uitputting gevallen’, aldus Antoon Toonen. In Delft wachtte hen een onaangename verrassing. De Duitsers hadden hun hele huis leeggehaald. De vlooien waren er de baas. Binnen atletiekvereniging AV ’40, waarin Toonen vanaf de oprichting een zeer actieve rol had gespeeld, ontstond een spontane inzamelingsactie om het gezin Toonen van kleding en enig meubilair te voorzien.

Terug naar Delft 

Het duurde jaren voordat de naweeën van de oorlog waren weggezakt. Er werd gerouwd en er werd gefeest. Toonen was hulpregisseur bij de groots opgezette bevrijdingsfeesten die in Delft werden geregisseerd door theatermaker Kees van Iersel, die na de oorlog naam zou maken als pionier van het Nederlandse avant-garde theater. Toonen zette zich ook in voor de Stichting Nederlands Volksherstel, opgericht om de fysieke en geestelijke nood van oorlogsslachtoffers te lenigen.  Na de oorlog pakte hij zijn oude bestaan weer op. Hij stond weer voor de klas, gaf trainingen bij atletiekvereniging AV’40 en was bijzonder actief in de culturele en sportieve wereld. Als dank voor zijn bijdragen aan de Delftse samenleving ontving hij aan het einde van zijn loopbaan de zilveren stadspenning van de gemeente Delft. Maar erkenning voor zijn verzetsdaden kreeg hij nooit. Tienduizenden BS’ers ontvingen in 1946 een herinneringsinsigne dat at op initiatief van Prins Bernhard, opperbevelhebber van de Binnenlandse Strijdkrachten, was ingesteld. Toonen kreeg er geen. Ook voor het verzetsherdenkingskruis, dat in 1980 werd ingesteld, werd Toonen nooit voorgedragen. Toonen leek er zelf niet onder te lijden, maar zijn zoon heeft er altijd moeite mee gehad. Te meer daar Bergwerff en Bokhove, de agenten die tegenstand hadden geboden tijdens de overval op het politiebureau in 1944 op de Markt werd gehuldigd vanwege hun heldhaftig optreden tijdens dit incident. In 1961 kreeg Bokhove een koninklijke onderscheiding in verband met een dienstjubileum. Toon Toonen heeft nooit begrepen waarom zijn vader geen herinneringsinsigne heeft ontvangen. Hij heeft een vermoeden dat zijn vaders sympathieën voor het communisme een rol hebben gespeeld in het uitblijven van officiële erkenning. Antoon Toonen was geabonneerd op De Waarheid, het partijblad van de Communistische Partij Nederland. De krant was in 1940 opgericht als verzetskrant, maar onder invloed van de Koude Oorlog werden abonnees na de oorlog nauwlettend in de gaten gehouden.

 

Groepsfoto AV'40 met Antoon Toonen

 

Groepsfoto AV ’40 met rechts Antoon Toonen